De geschiedenis van wegen >
Waar mensen vaste routes volgen, raken paden ingesleten. Op sommige plekken gebeurt dat al duizenden jaren. Van oudsher verbinden paden en wegen mensen en plekken met elkaar. En ze faciliteren het transport van goederen én kennis.
Steentijdwegen >
De oudste wegen in Limburg stammen uit de Steentijd. In een tijd waarin alle land nog niet ontgonnen en verkaveld was konden de tracé's van wegen zich zonde problemen aanpassen aan de natuurlijke omstandigheden van het landschap waar ze door heen trokken.

De kortste verbinding tussen twee plaatsen was niet altijd
de gemakkelijkste. Natuurlijke hindernissen als moerassen
en stuifzand werden vermeden.

In zandgebieden lagen vaak vele karrensporen naast elkaar. Daar was eerder sprake van routes dan van afgebakende wegen.

Romeinse wegen >
Met de komst van de Romeinen werden wegen voor het eerst volgens een bepaald vooropgezet plan aangelegd. De Romeinse wegen hadden ook duidelijke doelen: het snel kunnen verplaatsen van legereenheden én het bestuurlijk ontsluiten van de nieuw veroverde gebieden.

In Limburg liepen 3 hoofdwegen:
  • de Via Belgica in Zuid-Limburg (van Maastricht naar Rimburg),
  • de Via Mosae: weg van Maastricht naar Nijmegen, op de westoever van de Maas
  • de weg van Heerlen naar Xanten, op de oostoever van de Maas
De Romeinse wegenbouwers gebruikten meestal wel het adagium 'de snelste weg van A naar B is een rechte lijn' bij het uitstippelen van hun wegen. Niettemin moesten ook zij rekening houden met natuurlijke omstandigheden en ook steeds vaker met eigendomsrechten van grond.

>> Klik hier voor een uitgebreid verhaal over de geschiedenis van de Via Mosae

>> Klik hier voor meer informatie over de Via Belgica

>> Of bekijk onderstaand een interview met archeoloog Maarten Dolmans, die vertelt over de Romeinse wegen rondom Blerick

Middeleeuwse wegen >
In de Middeleeuwen en zelfs tot eind 18e eeuw gebeurde er weinig op het gebied van wegenbouw in Limburg. De reden hiervoor was enerzijds dat Romeinse wegen nog lange tijd in gebruik bleven.

Anderzijds was er in de Middeleeuwen ook geen centraal gezag meer (zoals in de Romeinse tijd) dat de aanleg en en het onderhoud van wegen centraal regelde. Aanleg en onderhoud van wegen was in deze tijd een aangelegenheid van lokale heren. Aangezien Limburg bestond uit een lappendeken van middelgrote tot kleine gebieden met elk hun eigen heer kwam er niets van het gecoördineerd aanleggen van wegen. Via tollen probeerde men geld te innen voor het onderhoud van de wegen, maar veel kwam daar niet van terecht.

Vlak voor het begin van de Franse tijd - eind 18e eeuw - lag er in heel Limburg nog maar zo'n 150 kilometer aan verharde wegen. Alle andere wegen waren zandwegen.

Franse wegen >
Het verbeteren van de wegennetwerken was voor de Fransen in alle vanaf eind 18e eeuw veroverde gebieden van groot belang. Ze realiseerden zich terdege dat een goed wegennetwerk grote voordelen had. In de eerste plaats omdat de wegen van groot belang waren voor een snelle verplaatsing van de Franse legers. Evenals voor de aanvoer van wapens, kleding en proviand.
 
Ook voor de handel en werkgelegenheid was een efficiënt wegennetwerk belangrijk. Zeker voor een gebied als Limburg, dat nauwelijks ontsloten was. Napoleon was bovendien van mening dat de wetten en decreten die hij uitvaardigde binnen enkele dagen tot in alle uithoeken van zijn rijk bekend moesten zijn.

De aanleg daarvan bleek echter een groot probleem. Zeker in Limbur waar rond 1800 alleen maar onverharde wegen lagen, die bij de minste regen veranderden in nauwelijks te bereizen modderpoelen. Evenals de Romeinen hadden gedaan brachten de Fransen de aanleg en het onderhoud daarom waar onder centraal gezag van de staat.

In 1802 werden de plannen gepresenteerd voor de aanleg van twee nieuwe hoofdwegen komen: een weg van Sint-Truiden naar Aken en een weg van Maastricht naar Venlo op de westelijke oever van de Maas (de latere Napoleonsbaan). De eerste weg werd in 1811 al opgeleverd, maar de tweede zou pas na de Franse tijd worden afgemaakt. Niettemin staat deze weg tot op de dag van vandaag bekend als de 'Napoleonsbaan'.

>> Klik hier voor een uitgebreid verhaal over de geschiedenis van de Napoleonsbaan

>> Of bekijk onderstaand een interview met landschapshistoricus Bèr Houben, die vertelt over de geschiedenis van de Napoleonsbaan

Willemswegen >
Na het vertrek van de Fransen nam de nieuwe Nederlandse regering de zorg voor de Nederlandse wegen over. Hierdoor werd het mogelijk het wegenbestand te uniformeren, te verbeteren en centraal te bekostigen. Het wegenbestand werd vanaf die tijd als samenhangend stelsel benaderd.

Door het Rijk aangelegde wegen uit de regeringsjaren van de koningen Willem I, II en III - van 1813 tot en met 1890 -, worden Willemswegen genoemd. Willem I (de koopman-koning) zette in op sterke verbetering van de infrastructuur. Onder zijn bewind zijn honderden kilometers kanalen, verharde wegen en de eerste spoorweg tot stand gekomen.

Veel Willemswegen zijn recht, net als Napoleonswegen. Doorgaande beplanting met bomen werd gebruikelijk. Niet alleen verschaften bomen beschutting tegen zon, regen en wind, maar ook vormden ze bakens als het landschap besneeuwd was. Rond 1870 kreeg ook de Napoleonsbaan zijn tegenwoordig zo karakteristieke aanzien: een op de meeste plekken kaarsrechte weg met aan weerzijden hoge eiken- en beukenbomen.

Wegen werden ingedeeld in drie klassen: rijkswegen, departementale wegen en lokale of ‘buurtwegen’. Rond 1850 waren de meeste rijkswegen in Nederland verhard. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden ook veel regionale en lokale wegen sterk verbeterd.

Het moderne wegennet >
Begin 20ste eeuw was het noodzakelijk om het wegennetwerk in Nederland flink te vernieuwen. Dit was hard nodig. De meeste in de 19e eeuw aangelegde rijkswegen waren drie meter breed en werden gebruikt door fietsers, trams, paarden én de allernieuwste technische vinding: de auto.

In 1927 werd een nieuw rijkswegenplan vastgesteld. Dit plan voorzag in een aanzienlijke uitbreiding van het aantal rijkswegen en verbetering van de belangrijkste rijkswegen. In 1933 werd besloten om de eerste autoweg in Nederland aan te leggen: van Voorburg naar Zoetermeer.

Aanvankelijk werd bij de aanleg van de autowegen nog gebruikgemaakt van gelijkvloerse kruisingen en haakse aansluitingen. Later koos men voor het bekende beeld van de moderne autosnelweg, met door middenbermen gescheiden rijbanen, ongelijkvloerse kruisingen, klaverbladen en invoegstroken. Het snelwegontwerp was geïnspireerd op de Amerikaanse highways en de Duitse Reichsautobahnen. Wegverharding met betonplaten werd verlaten ten gunste van asfalt.

En zo groeide in 2000 jaar tijd het eerste wegennetwerk van onverharde zandpaden uit tot een ingenieus systeem van verharde wegen dat ons in staat stelt (bijna) elke plek in Nederland - binnen een paar uurtjes - te bereiken.